Menu

De concessiewet en het verbod op mededingingsvertekenende handelingen: wat kan volgens artikel 25?

De concessiewet, of de wet van 17 juni 2016 betreffende de concessieovereenkomsten, voorziet in een artikel dat het verbod op mededingingsvertekenende handelingen verder bepaalt. Aan de hand van rechtspraak en de memorie van toelichting bekijken we hieronder artikel 25 van dichterbij.

06-07-2021 - door Steven Van Garsse

Art. 25. § 1. Een aanbesteder mag geen concessie opstellen met het doel om deze uit te sluiten van het toepassingsgebied van deze wet of om de mededinging op kunstmatige wijze te beperken. De mededinging wordt geacht kunstmatig te zijn beperkt indien een concessie is ontworpen met het doel bepaalde ondernemers of werken, leveringen of diensten ten onrechte te bevoordelen of benadelen.

§ 2. Ondernemers stellen geen handelingen, sluiten geen overeenkomsten of maken geen afspraken die de normale mededingingsvoorwaarden kunnen vertekenen.

Offertes of aanvragen tot deelneming die met een dergelijke handeling, overeenkomst of afspraak zijn ingediend, mogen worden geweerd overeenkomstig de bepalingen van artikel 52.

Indien een dergelijke handeling, overeenkomst of afspraak evenwel tot het sluiten van een concessie heeft geleid, treft de aanbesteder de maatregelen voor contractuele inbreuken, tenzij hij, bij een met redenen omklede beslissing, anders beschikt.
TEKSTGESCHIEDENIS
Artikel 25 van de wet van 17 juni 2016 betreffende de concessieovereenkomsten, BS 14 juli 2016

COMMENTAAR 

1. Artikel 25 voorziet, volgens de memorie, in de gedeeltelijke omzetting van artikel 3.1. en artikel 35 van richtlijn 2014/23/EU. De memorie preciseert voorts:

Het beoogt elke mededingingsvertekenende handeling te verbieden en te bestraffen, ongeacht of die uitgaat van aanbesteders (§ 1) of van ondernemers (§ 2). Elke mededingingsvertekenende handeling, afspraak of overeenkomst door toedoen van ondernemers kan, tijdens de plaatsingsprocedure, de uitsluiting van de kandidaat of inschrijver (zie artikel 52) rechtvaardigen en, indien de concessieovereenkomst met zodanige handeling, overeenkomst of afspraak is gesloten, de stopzetting ervan of iedere andere sanctie wegens een (ernstige) contractuele inbreuk door de concessiehouder. Artikel 25 voorziet evenwel niet in een specifieke sanctie indien de aanbesteder de mededinging op kunstmatige wijze heeft vertekend of beperkt. De ondernemer die hierdoor nadeel ondervindt, beschikt echter over de in de ‘rechtsbeschermingswet’ genoemde rechtsmiddelen. In de gevallen waarin de door de aanbesteder gekozen offerte twintig procent meer bedraagt dan de raming ervan en de voorschriften van deze wet bijgevolg niet zijn nageleefd, dient de aanbesteder de procedure bovendien stop te zetten (zie artikel 35, § 2 betreffende de raming van de waarde van de concessies en de commentaar bij dat artikel).

2. Uit de rechtspraak van de Raad van State valt af te leiden dat een aanbestedende overheid, wanneer ze door een van de inschrijvers geconfronteerd wordt met aanwijzingen dat een andere inschrijver specifieke handelingen gesteld heeft die de mededinging kunnen vertekenen, er rechtens toe gehouden is die aanwijzingen met de nodige aandacht te onderzoeken.1

1 RvS 21 februari 2019, nr. 243.771 en RvS 11 december 2020, nr. 249.207.

Ook interessant

Bestuur & organisatie

Publiek-private samenwerking voor lokale besturen

Steven Van Garsse

Bestel

Bestuur & organisatie

Wegwijs in het Bestuursdecreet

Frankie Schram

Bestel

Bestuur & organisatie

Heldere handhaving

Carole M. Billiet
Liesbet Deben
Patricia Popelier
Koen Van Aeken

Bestel

Bestuur & organisatie

Klachtenmanagement, handboek voor openbare besturen

Frankie Schram

Bestel