Menu

De regels rond het doorzoeken van gebouwen

Met jaarlijks een nieuwe editie van de Wet op het politieambt trachten we steeds opnieuw in te spelen op de laatste actuele ontwikkelingen. Toen vorig jaar de coronacrisis zeer actueel werd, hebben we dit dan ook verwerkt in de nieuwe editie. Ook de politiediensten moeten uiteraard rekening houden met de bijkomende maatregelen. Zo wordt er in het hoofdstuk over de doorzoeking en de ontruiming van gebouwen en onbebouwde zones onder meer dieper ingegaan op de mogelijkheden tot huiszoeking bij lockdownfeestjes. We willen dit daarom dan ook graag exclusief aan de lezer vrijgeven als voorproefje.

04-02-2021 - door Eddy De Raedt, Philippe Rosseel, Bart Van Thienen

Artikel 27 Wet Politieambt omschrijft duidelijk in welke gevallen en onder welke voorwaarden de politiediensten een gebouw mogen doorzoeken en laten ontruimen in geval van bomalarm of een ander ernstig nakend gevaar. Uit zorg voor de vrijwaring van de vrijheden en rechten van de mens, bevat de wet ook een duidelijkere regeling voor de huiszoeking met toestemming.

Doorzoeking van bepaalde plaatsen

“Onverminderd de bepalingen betreffende de noodplanning, kunnen de politieambtenaren, bij het uitoefenen van hun opdrachten van bestuurlijke politie, bij ernstig en nakend gevaar voor rampen, onheil of schadegevallen of wanneer het leven of de lichamelijke integriteit van personen ernstig wordt bedreigd, zowel ’s nachts als overdag gebouwen, bijgebouwen en vervoermiddelen doorzoeken in elk van de volgende gevallen."

"1. Op verzoek van de persoon die het werkelijk genot heeft van een niet voor het publiek toegankelijke plaats of mits de toestemming van die persoon."

"2. Wanneer het hun op die plaats gemelde gevaar een uitermate ernstig en ophanden zijnde karakter vertoont dat het leven of de lichamelijke integriteit van personen bedreigt en op geen andere wijze kan worden afgewend."

Bij het vervullen van de opdrachten van bestuurlijke politie kunnen de politieambtenaren in geval van ernstig en nakend gevaar, eveneens onbebouwde zones doorzoeken. Het in dit artikel bedoelde doorzoeken mag slechts geschieden om personen op te sporen die in gevaar verkeren of om de oorzaak van het gevaar op te sporen en, in voorkomend geval, te verhelpen. Deze bepaling is toepasselijk op politieambtenaren en beveiligingsassistenten en -agenten die over gelijkgestelde bevoegdheden beschikken.

Artikel 44/13 Wet Politieambt geeft de agenten van politie de bevoegdheid om doorzoekingen van gebouwen en vervoermiddelen bedoeld in artikel 27 Wet Politieambt uit te voeren. Deze bevoegdheid wordt uitgeoefend binnen de perken van de door artikel 44/12 Wet Politieambt voorziene bijstandsfunctie aan politieambtenaren.

Het verlenen van deze bijstand gebeurt naargelang van het geval op bevel en onder verantwoordelijkheid van een officier van bestuurlijke of van gerechtelijke politie. De agenten van politie dienen dezelfde voorwaarden na te leven als de voorwaarden van toepassing op de politieambtenaren die deze opdracht uitvoeren.

Algemeen

Artikel 27, eerste lid Wet Politieambt werd in 2018 aangepast op twee punten: het artikel stelt dat het optreden van politiediensten conform de bepalingen met betrekking tot de noodplanning dient te gebeuren en bovendien wordt de voorwaarde van optreden verduidelijkt indien de persoon die het werkelijk genot heeft van een niet voor het publiek toegankelijke plaats, niet kan worden bereikt.

Artikel 27 machtigt de politie om in een aantal specifieke gevallen gebouwen, bijgebouwen, vervoermiddelen en onbebouwde zones te doorzoeken, zowel overdag als ’s nachts en ze eventueel te doen ontruimen. We herhalen dat hier ook artikel 27 Wet Politieambt geen afbreuk doet aan de ruime controle- en toezichtbevoegdheid van politieambtenaren op de plaatsen waarvan de toegang hen niet wordt ontzegd en in de verlaten onroerende goederen. Op die plaatsen kunnen ze dan ook hun bevoegdheden van bestuurlijke politie uitoefenen, zoals het beschermen van in gevaar verkerende personen, zonder rekening te houden met de voorschriften van artikel 27 Wet Politieambt, mits de andere principes betreffende de uitoefening van hun opdracht worden nageleefd, zoals onder andere bepaald in artikel 37 Wet Politieambt.

Het systematisch doorzoeken of ontruimen van gebouwen, dat hoofdzakelijk van bestuurlijke aard is, beoogt niet enkel het opsporen van een gevaar of de oorzaak ervan, maar ook het verwijderen of het beëindigen van dat gevaar. Bij ernstig en nakend gevaar voor rampen, onheil of schadegevallen of wanneer het leven of de lichamelijke integriteit van personen op het spel staat, is dit zeker nodig, bijvoorbeeld in geval van giftige uitwasemingen, gevaar voor ontploffing of bomalarm.  Het is duidelijk dat in een dergelijk geval de voor het publiek toegankelijke plaatsen, waarvan sprake in artikel 26, eveneens doorzocht en eventueel ontruimd kunnen worden.

De aard en de omvang van de te nemen maatregelen zullen nauw verbonden zijn met de omvang van de nakende dreiging, met de aard van het bedreigde belang en met de aard en de omvang van het belang dat tijdelijk moet worden opgeofferd. Bij hun optreden op grond van artikel 27 Wet Politieambt kunnen de bevoegde politieambtenaren in voorkomend geval de hulp van andere politiediensten, de hulpdiensten, de ontmijningsdienst van het leger of de gewapende macht inroepen. Ze kunnen ook ieder ander nuttig persoon vorderen overeenkomstig de artikelen 42 en 43 Wet Politieambt.

Bijzondere voorwaarden voor de doorzoeking

De politieambtenaar mag op eigen initiatief een dergelijke doorzoeking in voor het publiek niet-toegankelijke plaatsen enkel verrichten:

1. Op verzoek van de persoon die het werkelijke genot heeft van de plaats, of met toestemming van die persoon. Zo kunnen de bevoegde politieambtenaren bij ernstige familiale geschillen de plaats van het gebeuren bezoeken op verzoek van een van de echtgenoten of samenwonenden en in bepaalde omstandigheden zelfs op verzoek van de kinderen;

2. Wanneer het hun op die plaats gemelde gevaar een uitermate ernstig en ophanden zijnde karakter vertoont dat het leven of de lichamelijke integriteit van personen bedreigt en op geen andere wijze kan worden afgewend.

Voor de wijziging van deze bepaling in 2018 was het politieoptreden nog altijd afhankelijk van de persoon die het werkelijk genot over het goed uitoefende. Ook in het jaarverslag 2016 van het Comité P werd reeds de aanbeveling gedaan om politie-diensten een betredingsrecht ‘tout court’ toe te kennen. De nieuwe bepaling schrapt dus deze voorwaarde. Ingevolge het advies van de Raad van State wordt het toepassingsgebied duidelijk en strikt beperkt tot het “uitermate ernstig karakter dat het leven of de lichamelijke integriteit van personen bedreigt”.

Uit deze bewoordingen blijkt duidelijk dat bij het betreden van een woning op grond van artikel 27, eerste lid, 2° het evenredigheidsbeginsel steeds dient te worden afgewogen: de grondwettelijke bescherming van de woning en de privacy versus de ernst van de dreiging. Cassatie bevestigde dit eerder door te stellen dat de rechtstreekse toegang van de politie tot een privéwoning van waaruit een noodoproep uitgaat, niet onderworpen is aan de identificatie en de instemming van de persoon die het werkelijk genot heeft van de plaats en evenmin aan opzoekingen om vast te stellen of de oproeper dat genot heeft.

Als voorbeeld van ernstige feiten kan gedacht worden aan gehuil, een vechtpartij of schoten gemeld door buren. Deze mogelijkheid dekt de klassieke casus van de familie of buur die de politie verwittigt omdat ze al enkele dagen of weken geen teken van leven meer zien in een woning en wat als abnormaal wordt ervaren, wat ook wel de ‘stilzwijgende oproep’ wordt genoemd.

Lockdownfeestjes

Hierbij kunnen we ook verwijzen naar het politieoptreden tijdens de Coronacrisis en de zogenaamde lockdownfuiven in private woningen waarbij de social distancing-regels niet worden gerespecteerd. Het standpunt van het College van procureurs-generaal komt erop neer dat deze feiten met een gevangenisstraf van maximaal drie maanden bestraft worden, waardoor de bepalingen in het Wetboek van Strafvordering op grond waarvan in geval van heterdaad een private plaats betreden niet toegepast kunnen worden zonder het expliciete en voorafgaande akkoord van de procureur des Konings.

Het College vervolgt dat het in casu toepassen van deze bepalingen in principe immers niet voldoet aan de proportionaliteitsvereisten waaraan elke inmenging in het privéleven dient te beantwoorden waardoor een appreciatie door de parketmagistraat geboden is.

Quid met het politieoptreden op basis van artikel 27 Wet Politieambt? Hierbij kunnen de twee hypothesen voorzien door artikel 27, eerste lid zich voordoen. Indien er noch verzoek of toestemming is, dient, zoals hierboven al vermeld, het evenredigheidsbeginsel te worden gerespecteerd.

Wanneer er bijvoorbeeld op grond van politionele informatie aanwijzingen zijn dat er een party met enkele tientallen deelnemers zou plaatsvinden, de politie ter plaatse komt en tot op straat het lawaai van muziek en van het gebabbel van de deelnemers kan horen, kunnen redelijke gronden bieden om politioneel op te treden, gezien het risico op besmetting, en voor zover aan de andere voorwaarden van het artikel 27, eerste lid Wet Politieambt voldaan is. In elk geval is het de verantwoordelijkheid van de leidinggevende politieambtenaar hieromtrent voorafgaandelijk heldere richtlijnen uit te werken.

In het geval van artikel 27, tweede lid Wet Politieambt (doorzoeken van onbebouwde zones), is er geen toestemming nodig van de persoon die het werkelijke genot heeft van het onbebouwd eigendom. Het begrip ‘onbebouwde zone’ omvat in de zin van de wet op het politieambt de parken, bossen, wouden, velden en weiden met inbegrip van de stallen, schuilhutten, schuren en hokken die zich daar bevinden, voor zover die laatste geen aanhorigheid van een woning uitmaken.

Ontdekking van een misdrijf tijdens een doorzoeking

De bevoegdheid van bestuurlijke politie kan niet aangewend worden om inbreuken op te sporen waarvan men het bestaan niet kent of niet kan vermoeden. Doorzoeking op grond van artikel 27 Wet Politieambt is slechts toegestaan om personen op te sporen die in gevaar verkeren of om de oorzaak van het gevaar op te sporen en, zo nodig, te verhelpen. Deze beperking waaraan het optreden van de betrokken leden van het operationeel korps is onderworpen, belet evenwel niet dat een tussenkomst van de bestuurlijke politie in het begin of tijdens het verloop ervan tot een optreden van de gerechtelijke politie kan leiden. Indien de politie een plaats betreedt op basis van artikel 27 Wet Politieambt en er een misdrijf vaststelt, zijn die vaststelling en de vastlegging ervan in een pv in principe dus geldig.

Die vaststelling kan op haar beurt aanleiding geven tot een reeks andere handelingen van gerechtelijke politie. De politie kan bij de bestuurlijke doorzoeking echter niet van haar doel afwijken, namelijk het opsporen en neutraliseren van de oorzaak van het gevaar. De doorzoeking mag slechts uitgebreid worden tot het zoeken naar bewijzen van misdaden of wanbedrijven, mits naleving van de wettelijke principes inzake de uitoefening van de gerechtelijke politie. Hierbij kan gedacht worden aan de ontdekking van een misdaad of wanbedrijf op heterdaad.

Meer informatie? Check onze publicatie Wet op het politieambt

Ook interessant

Politie & veiligheid

Wet op het politieambt | 23ste editie

Eddy De Raedt
Philippe Rosseel
Bart Van Thienen

Bestel

Politie & veiligheid

Praktijkgids cameratoezicht | 2de editie

Tom De Schepper

Bestel

Politie & veiligheid

Het strafrechtelijk traject | 3de editie

Frank Schuermans
Damien Vandermeersch

Bestel

Politie & veiligheid

Politiepocket Strafprocesrecht | 6de editie

Christian De Valkeneer

Bestel

Politie & veiligheid

Codex private veiligheid | 4de editie

Jan Cappelle

Bestel

Politie & veiligheid

De officier van bestuurlijke politie | 2de editie

Jean-Claude Gunst

Bestel